Tot het einde van de 14e eeuw vormde Oploo een eigen Heerlijkheid, verbonden (leenroerig) aan het Land van Cuijk. De gemeenschap beschikte over een eigen halsrecht (het recht over leven en dood van de onderhorige). Telgen van het geslacht Steenhuijs voerde in de 17e en 18e eeuw het bewind over deze Heerlijkheid van een paar honderd inwoners. Regelmatig resideerden zij in het Oploose kasteeltje, dat in de 18e eeuw “Het Jufferen” werd genoemd. Kort voor de Franse tijd, nadat de Heerlijkheid in 1778 was verkocht aan het Huis van Oranje, werd het gesloopt.

Nu nog herinneren de kasteelgracht en enkele straat- en huizennamen aan deze periode van zelfstandigheid. De contouren van het kasteeltje zijn door middel van hagen in het centrum aangegeven. Daar staan ook 3 beelden van vrouwenfiguren, namelijk Lucretia, Genoveva en Amalia van de Steeg de laatste bewoners van “Het Jufferen.”

Een wel zeer markante figuur uit de geschiedenis van Oploo is Tôntje van den Els. Vlak bij de molen is plaats gemaakt voor 'Tôntje d’n dwerg' zoals hij in de regio werd genoemd. In de vorm van een bronzen beeld, zittend op een bankje, met de rug naar het dorp kijkt hij nu uit over de Peel.